Poetin en Trump
Van alle slechte eigenschappen van Poetin mist Trump er niet één.
Waarom wordt de een dan vijand genoemd en de ander vriend?
Nog gevaarlijker dan een wolf is een wolf die met schaapskleren wordt bekleed.
NB niet gepubliceerd

Geweldloze conflicthantering
Poetin en Trump
Van alle slechte eigenschappen van Poetin mist Trump er niet één.
Waarom wordt de een dan vijand genoemd en de ander vriend?
Nog gevaarlijker dan een wolf is een wolf die met schaapskleren wordt bekleed.
NB niet gepubliceerd
Rutte
Rutte is de ideale secretaris-generaal van de NAVO voor de Amerikaanse president Trump. Hij volgt nauwgezet de instructies van “daddy” om Europa de stuipen op het lijf te jagen. Trump heeft de Europese landen zover gekregen dat ze op ongekende wijze hun defensiebudgetten hebben verhoogd door Europa te dreigen met onthouding van steun en als zwakkeling af te schilderen. Dat lukt natuurlijk alleen maar als er ook van een geloofwaardige dreiging sprake is. Daar dienen die onderonsjes met Poetin voor. Met Oekraïne als speelveld, waarop Oekraïense en Russische soldaten en burgers als pionnen fungeren, wordt een dreiging voor Europa gecreëerd. Nu Amerika de wapensteun aan Oekraïne intrekt, voelt Europa zich geroepen die leemte in te vullen, en ja, met wapens die grotendeels in Amerika worden gekocht. Op basis van het rapport van SIPRI over 2024 maakte de Volkskrant melding van hoogtijdagen voor wapenfabrikanten met een recordomzet van 679 miljard dollar. De helft van de wapenverkopen komt van Amerikaanse bedrijven. Moeten gewone burgers en gewone soldaten weer tegen elkaar opgezet en massaal geofferd worden voor de winsten van de oorlogsindustrie? Met walgelijk cynisme herinnert Rutte ons aan de beide wereldoorlogen en durft hij een derde in het vooruitzicht te stellen.
NB gepubliceerd 13-12-2025
Onderwijs in Wereldburgerschap
de leerling als wereldburger met de leerkracht als gids
Dr. John Zant
Inleiding
De problemen waarmee de mensheid momenteel wordt geconfronteerd -klimaatrampen, milieuvervuiling, uitputting van grondstoffen, oorlogen, armoede, honger ondanks voldoende beschikbaarheid van voedsel, vluchtelingen, et cetera- kunnen alleen met wereldwijde samenwerking worden aangepakt. Tijdens de klimaattop in Caïro (2022) vatte de secretaris-generaal van de VN, Antonio Guterres, de huidige situatie als volgt samen: “De mensheid heeft de keuze tussen samenwerken of ten onder gaan. We zitten op de snelweg naar een klimaathel met de voet op het gaspedaal”. Het streven naar wereldburgerschap zou tegenwicht moeten bieden aan de toenemende neiging tot “eigen-volk-eerst”. Korte termijn beleid en eigenbelang domineren momenteel.
Het gaat om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Zij moeten al vroeg bewust gemaakt worden van de invloed van het wereldgebeuren op hen zelf. En ze moeten een verantwoordelijkheidsgevoel leren ontwikkelen, opdat ze kunnen bijdragen aan het verbeteren van de leefomstandigheden van alle mensen en aan het voorkomen van allerlei globale rampspoeden. Zoals Micha de Winter zegt: “Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding” (1).
Kinderen tot wereldburgers opvoeden vereist dat je ze ook kennis en vaardigheden aanleert over verhoudingen en processen die in de wereld spelen, en over hun positie in en relatie tot de wereld. Uit bovenstaande moge blijken dat wereldburgerschap geen bijzaak is, maar noodzaak.
Burgerschapsonderwijs geeft leerlingen een basis om deel uit te maken van een democratische gemeenschap. Bovendien verwerven ze vaardigheden om aan een rechtvaardige, inclusieve en duurzame toekomst te werken. Van het begrijpen van de grondbeginselen van de democratie tot het bevorderen van empathie en intercultureel begrip, wereldburgerschapsonderwijs biedt een fundament waarop leerlingen kunnen bouwen om verantwoordelijke wereldburgers te worden. Het gaat om het kennen van rechten en plichten, en om het cultiveren van kritisch denken, burgerzin en sociale verantwoordelijkheid. De school is primair de plaats waar leerlingen worden begeleid in hun groei tot zelfbewuste en verantwoordelijke wereldburgers, die, in balans met zichzelf en hun omgeving, in een steeds veranderende wereld kunnen functioneren. In die zin is de school een oefenplaats voor kinderen voor hun latere maatschappelijk functioneren als volwassenen.
Aangezien burgerschapsvaardigheden net zo essentieel zijn voor het maatschappelijk functioneren als taal- en rekenvaardigheden, is burgerschap in het onderwijs sinds 2021 wettelijk verplicht.
De wet “Verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs”(2)stelt:
“Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op
a. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school.
b. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.
c. het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het onderdeel a, creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de onder c genoemde verschillen.”
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft in 2021 wettelijke kaders vastgelegd waaraan het burgerschapsonderwijs moet voldoen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs (3). Het is in elk geval nodig dat de wettelijk vastgelegde inhoud daadwerkelijk vorm krijgt in de curricula van alle scholen. De Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) heeft van de regering opdracht gekregen de wettelijke bepalingen uit te werken tot een leerplan (6).
Wereldburgerschap
Dezelfde waarden, competenties, respectvereisten en kennis over vrede, veiligheid, voedsel, migratie en armoede, die gelden voor Nederlands burgerschap, gelden ook voor wereldburgerschap, maar dan gericht op alle mensen en volken van de hele wereld. Met andere woorden: het is zaak kinderen en leerlingen op te voeden en op te leiden tot goede Nederlandse burgers én tot goede wereldburgers. Tot verantwoordelijke mensen die oog hebben voor de problemen die de hele wereld bedreigen en die zich bekommeren om alle mensen en niet uitsluitend om de inwoners in Nederland (4). Het is zaak hun een gevoel van wereldwijde verantwoordelijkheid bij te brengen en hun visie niet te beperken tot de belangen van eigen land en cultuur, zeker omdat de Nederlandse samenleving ook steeds meer een multiculturele samenleving is.
Wereldburgers wegen in hun gedrag de voordelen op korte termijn af tegen de nadelen van dat gedrag op de lange termijn voor zichzelf, voor andere mensen en voor het leefmilieu van onze aarde. Zij passen daar hun gedrag op aan. Deze ideale situatie kan uitsluitend bereikt worden als iedereen respect en begrip heeft voor elkaars keuzen en leefwijzen. Mensen die geleerd hebben om te gaan met verschillen, benaderen tegenstellingen en conflicten niet met afwijzing, dreiging en geweld. Ze beheersen methoden van geweldloze conflicthantering, zoals discussiëren, overtuigen, bij ongelijk toegeven, vaststellen dat een verschil niet te overbruggen is en daardoor de relatie niet laten verstoren. Ze kunnen meta-communiceren, dat wil zeggen, reflecteren op de wijze waarop men met elkaar omgaat (bijvoorbeeld: ik vind je gedrag bazig, lief, agressief, inconsequent, et cetera). Ze zijn in staat mensen niet op één kenmerk vast te pinnen (bijvoorbeeld jij bent moslim, of kleurling, of homoseksueel). Ze kunnen mensen in hun totaliteit beoordelen met hun talrijke kenmerken, eigenschappen en vaardigheden. Zo kunnen zij loskomen van het wij-versus-zij denken en handelen. Dat uit zich in actieve, mondiale verbondenheid en verantwoordelijkheid die verder reiken dan de eigen cultuurgrenzen. Wereldburgerschap omvat het uitdragen van de universele rechten van de mens, het erkennen en waarderen van interpersoonlijke verschillen en overeenkomsten, en het kennen van de eigen plek binnen de globale samenleving. Wederkerigheid is het leidend principe: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet” (Mattheüs); “Geluk behoort toe aan hen die aan het geluk van anderen denken” (Zarathustra).
Naast de wet voor burgerschapsvorming vormen de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (URVM), de Universele Verklaring voor de Rechten van het Kind (UVRK) en de Sustainable Development Goals (SDG’s) de basis voor ons leerplan voor onderwijs in wereldburgerschap.
Kernwaarden
Kernwaarden reguleren onze onderlinge omgang overal in de wereld. In een democratische rechtsstaat zijn de belangrijkste waarden: vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid. In de wettekst over burgerschap worden alleen de eerste drie waarden expliciet genoemd, omdat ze zijn afgeleid van de waarden van de Franse revolutie—vrijheid, gelijkheid en broederschap. In die tijd — ruim tweehonderd jaar geleden — hadden de burgers geen stemrecht en waren ze nauwelijks geïnformeerd. Gehoorzamen aan de autoriteiten was het credo. Van eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid was geen sprake. Tegenwoordig hebben mensen stemrecht, zijn ze via de media goed geïnformeerd, zijn ze mondiger dan vroeger en willen ze inspraak. Daarmee zijn ze niet alleen in staat meer maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen, maar ook in toenemende mate verplicht die verantwoordelijkheid te nemen (5). In de wettekst is verantwoordelijkheid als volgt geformuleerd: “Bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.” Het is aan schoolbestuur, de directie, docenten, leerlingen en ouders de kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid een plek geven in het onderwijs. De kernwaarden voor burgerschapsvorming in de Nederlandse maatschappij, gelden evenzeer voor burgerschapsvorming in de wereldmaatschappij.
Wereldburgerschapsmodel
Onderstaand Wereldburgerschapsmodel (zie figuur 1) visualiseert (wereld)burgerschapsvorming vanuit een waardensysteem, waarin de democratische rechtsstaat de kern vormt, samen met de waarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid. De twee kernwaarden in het midden van het wereldburgerschapsmodel – democratie en rechtvaardigheid – raken vooral de instituties van de democratische rechtsstaat. De vier waarden eromheen hebben betrekking op de rechten en plichten van de mensen, de (wereld)burgers. Rechten richten zich op individueel belang, terwijl plichten op sociaal en algemeen belang gericht zijn. De vrijheid is verbonden met verantwoordelijkheid. Met andere woorden, het recht op vrijheid is niet vrijblijvend en schept de plicht je verantwoordelijk te gedragen ten aanzien van de vrijheden van anderen. Iedereen heeft de plicht na te gaan of zijn of haar vrijheden niet ten koste gaan van die van anderen of van het milieu. De gelijkwaardigheid staat in verbinding met solidariteit. Het recht op gelijkwaardige behandeling schept de plicht solidair te zijn ten behoeve van de gelijkwaardige positie van anderen.
Democratie is dat het volk kiest en het beleid bepaalt. Rechtvaardigheid is dat alles op een eerlijke manier gebeurt in de rechtsstaat en in de samenleving. De democratische rechtsstaat is gefundeerd op de trias politica, ofwel de driemachtenleer. Deze term benoemt de scheiding der staatsmacht(en), opgedeeld in drie organen die elkaars functioneren bewaken. De gebruikelijke verdeling kent een wetgevende macht die wetten opstelt (de Tweede Kamer en de Eerste Kamer), een uitvoerende macht voor het dagelijks bestuur van de staat (de overheid) en een rechterlijke macht die deze uitvoering toetst aan de wet. Tegenwoordig is aan dit stelsel een vierde toegevoegd: de onafhankelijke journalistiek. Zij verricht de volkstoetsing van de democratische rechtsstaat en fungeert als waakhond.
Figuur 1 – Wereldburgerschapsmodel

Noodzakelijke vaardigheden voor leerlingen
Voor het in praktijk brengen van deze kernwaarden zijn allerlei vaardigheden nodig. In tabel 1 geven we een overzicht van de hiervoor noodzakelijke cognitieve, emotionele, sociale en praktische vaardigheden bij leerlingen. Leerkrachten zien sociaal-emotionele vaardigheden soms over het hoofd of ze vinden die te moeilijk. Maar het is cruciaal dat leerlingen leren gevoelens te verwoorden, opdat ze die bij zichzelf en bij anderen kunnen herkennen, en die dan ook kunnen betrekken in hun communicatie. Als je emoties wel voelt, maar ze niet kunt benoemen, is de kans groot dat verdriet wordt opgekropt, resulterend in teruggetrokken, angstig of depressief gedrag. Woede wordt dan fysiek geuit, resulterend in pesten en agressief, gewelddadig of destructief gedrag (5). Antipest-programma’s richten zich in de regel op het monitoren, voorkomen en onderbreken van pestgedrag. Als in een dergelijk programma geen aandacht wordt besteed aan het vergroten van bovengenoemde sociaal-emotionele vaardigheden, is het tot mislukken gedoemd. Het blijft dan symptoombestrijding zonder de onderliggende bron, namelijk het gebrek aan sociaal-emotionele vaardigheden, aan te pakken. Het belangrijkste doel van onderwijs in (wereld)burgerschap is dat leerlingen deze vaardigheden internaliseren.
Tabel 1 – Noodzakelijke vaardigheden voor leerlingen
Cognitieve vaardigheden
Emotionele vaardigheden
Sociale vaardigheden
Praktische vaardigheden
Noodzakelijke vaardigheden voor leerkrachtenkrachten
Tot voor kort was er binnen de pabo-opleidingen relatief weinig aandacht voor (wereld)burgerschapsvorming. De focus lag vooral op cognitieve vakken zoals taal en rekenen. Nu burgerschapsonderwijs wettelijk verplicht is, komt hierin verandering.
Een leerkracht die (wereld)burgerschap onderwijst, moet de kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid niet alleen uitleggen, maar deze ook zelf uitdragen en voorleven.
De vakbekwaamheid van docenten in (wereld)burgerschap is doorslaggevend voor de succesvolle overdracht aan leerlingen. Zij fungeren als rolmodel voor hun leerlingen. Zij moeten immers de leerlingen op dit gebied onderwijzen en hun vooruitgang structureel meten. Burgerschapsvorming is net zo belangrijk als taal en rekenen voor het maatschappelijk functioneren van leerlingen. Dat geldt dan dus ook voor leerkrachten. Om (wereld)burgerschap goed te kunnen doceren moeten de kernwaarden echt geïnternaliseerd zijn bij leerkrachten en moeten zij (wereld)burgerschap inderdaad als even onmisbaar ervaren als taal en rekenen. Leerkrachten die het doceren van (wereld)burgerschap als een opgelegde verplichting ervaren, zullen weinig succesvol zijn in het overdragen van die vaardigheden op hun leerlingen. De overtuiging van “eigen-volk-eerst” is onverenigbaar met het doceren van wereldburgerschap.
Om als rolmodel voor leerlingen te kunnen fungeren, moeten de leerkrachten in ieder geval over dezelfde cognitieve, emotionele, sociale en praktische vaardigheden beschikken als die voor leerlingen noodzakelijk geacht worden (zie tabel 1). Daarnaast dienen leerkrachten over de nodige kennis over wereldburgerschap te beschikken en over de nodige didactisch-pedagogische vaardigheden.
Noodzakelijke kennis
De leerkracht dient kennis te hebben van het functioneren van de democratische rechtsstaat, van een gekozen volksvertegenwoordiging, van de scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht), van de Verenigde Naties en de veiligheidsraad, het Internationaal Gerechtshof, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van het Kind, de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s), de politieke en economische verhoudingen in de wereld, en de rampspoeden die de mensheid bedreigen.
Tabel 2 – Noodzakelijke didactisch-pedagogische vaardigheden
1. in staat zijn erkenning te geven aan anderen voor wat betreft hun opvattingen, gevoelens en wensen
2. in staat zijn tegenstellingen in opvattingen, gevoelens en wensen te hanteren zonder a priori uit te gaan van het eigen gelijk of de eigen beleving als norm te stellen
3. in staat zijn compromissen te sluiten bij tegenstellingen en conflicten
4. in staat zijn in redelijkheid en rechtvaardigheid beslissingen te nemen bij tegenstellingen en conflicten zowel in eigen relaties als in relaties tussen anderen
5. in staat zijn respect te verwerven door voorbeeldgedrag in plaats van respect te eisen op grond van status, door zelf duidelijk te zijn, door goed te luisteren, door empathie, door duidelijk grenzen aan te geven, door redelijke en rechtvaardige beslissingen te nemen en door bereid te zijn tot redelijke en rechtvaardige compromissen
6. in staat zijn leerlingen te laten voelen en ervaren hoe prettig samenwerken is en wat dat aan extra’s kan opleveren
7. in staat zijn kinderen verantwoordelijkheden te leren dragen en nemen
8. leerlingen kunnen motiveren door eigen enthousiasme, door duidelijkheid en beknoptheid, door aan te sluiten bij de interesse en actuele gemoedstoestand van de leerlingen, door het geven van erkenning en verbale beloning, door het geven van positieve feedback, door gericht en proportioneel straffen als het niet anders kan (grenzen stellen)
9. in staat zijn beginnende agressie onmiddellijk te onderbreken en daaraan gekoppeld een positief alternatief te introduceren
10. in staat zijn tot meta-communicatie, kritisch kunnen kijken naar het eigen handelen en dat van anderen en naar de wijze waarop relationele uitwisseling plaats vindt
11. weten hoe complementaire, symmetrische en up-via-down relaties werken en in staat zijn elke relatievorm adequaat te hanteren waarbij men zich bewust is van de eigen voorkeur in relatievorm met bijbehorende voor- en nadelen
12. in staat zijn eigen tekorten te onderkennen en daar actief ondersteuning in te zoeken
13. …
“Wat we willen dat leerlingen worden, moeten wij eerst zelf zijn.”
Wereldburgers bekommeren zich niet alleen om het eigen belang, de eigen problemen en de eigen leefomgeving. Zij doen dat alles ook voor alle mensen in de hele wereld en het leefmilieu, en passen hun gedrag daarop aan. Onderwijs in wereldburgerschap vereist een doorlopende leerlijn en een integrale aanpak voor alle leerjaren en in alle onderwijsactiviteiten.
Referenties
Andere organisaties en (wereld)burgerschapsonderwijs
www.slo.nl
www.unesco.nl
www.lerenvoormorgen.nl
www.cedgroep.nl
www.cosmicus.nl
www.fawakawereldburgerschap.nl
www.nuffic.nl
www.global-exploration.nl
www.laks.nl
www.wereldburgerschap.community
Stellingen
1. Door onderwijs in wereldburgerschap leer je na te denken over je eigen rol in de wereld en de effecten van je gedrag op anderen, de natuur en het leefmilieu. Nu en in de toekomst.
2. Toekomstige wereldburgers leren hoe ze kunnen samenwerken voor een vreedzame, democratische, inclusieve en duurzame wereld.
3. Wereldburgers bekommeren zich niet alleen om het eigen belang, de eigen problemen en de eigen leefomgeving, maar zij bekommeren zich ook om de belangen, problemen en leefomgeving van alle mensen op de wereld.
4. Onderwijs in wereldburgerschap integreert de kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid.
5. Voor een succesvolle overdracht aan leerlingen is het noodzakelijk dat leerkrachten (wereld)burgerschap niet als extra belastende taak beschouwen, maar (wereld)burgerschap daadwerkelijk internaliseren.
6. Pabo-opleidingen besteden onvoldoende aandacht aan wereldburgerschapsvorming en de overdracht van goed burgerschap aan leerlingen.
7. Sociaal-emotionele (wereld)burgerschapsvorming is net zo belangrijk als taal en rekenen. Zowel voor leerkrachten als leerlingen.
8. Effectieve toetsing van wereldburgerschapsvaardigheden bij leerlingen richt zich zowel op kennisaspecten als op sociaal-emotionele vaardigheden.
9. De overtuiging van “eigen-volk-eerst” is onverenigbaar met het doceren van wereldburgerschap.
10. “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet” (Mattheus)
F. Wibaut:
Er is maar één land: de aarde
Er is maar één volk: de mensheid
Er is maar één geloof: de liefde
PS
“De beschaving gaat ten onder aan de giftige cocktail van “eigen-volk-eerst” en het “recht-van-de-sterkste”. Kostbare verworvenheden als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Verenigde Naties) en de democratische rechtsstaat vallen ten prooi aan barbarij.”
(de Volkskrant 18-04-2025, John Zant)
Over de auteur
Dr. John Zant is gepensioneerd klinisch psycholoog en wetenschappelijk onderzoeker, ambassadeur van de Vreedzame School en van de Stichting Wereldburger, en publicist met betrekking tot geweldloze conflicthantering en (wereld)burgerschap.
Klimaatbeleid EU
Eurocommissaris Hoekstra voor klimaat heeft een nieuw beleidsplan gemaakt waarin de uitstoot met 90% t.o.v. 1990 moet worden gereduceerd in 2040. Daarbij oppert hij wel de mogelijkheid om een deel van de uitstootvermindering buiten de Europese Unie te realiseren. Dus de klimaatwinst die ze elders boeken, mogen we in Europa meetellen. Als iemand in Azië besluit niet meer te reizen per vliegtuig, kan ik nog een tijdje doorgaan met vliegen. Hij noemt dat pragmatisme. Ik noem het verantwoordelijkheid buiten jezelf leggen.
John Zant
NB niet geplaatst
Vijand
Nu onze leiders roepen dat we ons moeten voorbereiden op oorlog en men massaal in een bewapeningsroes verkeert, rijst bij mij de vraag, wie nu mijn echte vijand is.
Zijn de soldaten van een vijandelijk leger mijn vijand? De meeste mensen zullen volmondig met ja antwoorden. Ik twijfel. Natuurlijk is degene die een geweer op mij of mijn dierbaren richt mijn vijand.
Maar stel, dat zijn leider en mijn leider om economische en/of strategische redenen ruzie hebben en hebben besloten die met een oorlog uit te vechten (in plaats van hun conflict voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof). Ik zit in de ene schuilplaats en de soldaat van de tegenpartij in een andere schuilplaats. Ik heb nog nooit iemand gedood of willen doden; hij ook niet. We kennen elkaar niet en hebben elkaar nog nooit een strobreed in de weg gelegd. Moeten wij nu op elkaar gaan schieten? Ik gebruik hier het woord “wij” voor de vijandelijke soldaat en mijzelf; we zijn lotgenoten die met angst en vreze huis en haard hebben verlaten, omdat we de opdracht hebben gekregen de ruzie tussen onze leiders door middel van een oorlog uit te vechten. Wij hebben geen ruzie; we zijn eigenlijk geen vijanden van elkaar. Toch schiet ik misschien, ook al doe ik dat liever niet, uit angst dat de ander misschien schiet, ook uit angst; dan kun je maar beter het eerst schieten en schiet je iemand neer die je niet kent en die je nooit kwaad heeft gedaan, of je treft toevallig een voorbij lopende vrouw met kind, en dat heet dan “collateral damage”. Hoe kun je jezelf nog recht in de ogen kijken, als je geschoten hebt op mensen die je niet kent en die je nooit iets misdaan hebben, maar die je leider “vijanden” noemt? Misschien is de werkelijke vijand niet die bange onbekende soldaat in die andere schuilplaats, maar is mijn echte vijand degene die mij beveelt op een onschuldige medemens te schieten en is zijn echte vijand degene die hem beveelt op mij te schieten. Als alle soldaten in plaats van te schieten op de benoemde vijand hun eigen leider aanklagen wegens aanzetten tot moord, is er misschien nooit meer oorlog.
John Zant
Amsterdam
PS Geplaatst 28-06-2-25 Zaterdagkatern blz. 22